Over Leven

Soms,
als ze bij mij in bed ligt
en ik hoor hoe ze buiten adem raakt
omdat ze het ritme van mijn ademhaling probeert te volgen,
denk ik
aan hoe ik vroeger soms
bij mijn moeder in bed lag
en buiten adem raakte
omdat ik het ritme van haar ademhaling probeerde te volgen,
en dan weet ik weer hoezeer
geschiedenis en adem zich herhalen,
de wetmatigheid van overleven.

o

o

Ik ben kwaad. Vaak.

Kwaad om wie ik ben en zou willen zijn. Kwaad om wie ik zou willen zijn als ik bij jou ben.

Hij heeft mij kwaad gemaakt. Door minzaam te blijven glimlachen toen ik op mijn knieën zat en hem kwetsbaar mijn liefde verklaarde. Hij heeft mij kwaad gemaakt door op te staan, weg te gaan en nooit meer écht terug te keren. Hij heeft mij zo kwaad gekregen dat jij eraan moet geloven. En zij ook.

Misschien heeft hij mij wel kwaad gemaakt. Letterlijk, tijdens de daad. Misschien was hij die dag niet geil of gelukkig maar gepikeerd, en ben ik zo gecreëerd, onder stoom, met donder en bliksemschichten. Dat zou die blik op een van mijn eerste babyfoto’s verklaren. Daar zie je mijn bezwaard zijn al. Ik krijg de fles en gooi een frons naar mijn moeder. Weet ik veel waarom. Wist zij veel. Of misschien wist zij het wel, en voelde zij diezelfde rimpeling, diep vanbinnen, maar hield ze het voorhoofd koel omdat ze niet wist waar ze moest beginnen. Omdat er zoveel onzegbaars te vertellen viel.

Ik las ergens dat de eicel waaruit je ontstaat, al is aangemaakt toen je moeder nog bij haar moeder in de buik zat. Dat je dus ook voor een stuk in de baarmoeder van je grootmoeder hebt gezeten. En dat het best mogelijk is dat je zo niet alleen haar warmte maar ook haar woede in je cellen hebt gesplitst gekregen. Misschien is mijn frons dus een erfstuk van mijn moeders moeder. Misschien vond zij het honderd jaar geleden zo afschuwelijk dat ze van Frankrijk naar een boerendorp in België moest verkassen, alleen met haar ouders, zonder broers of zussen, dat de onuitgesproken boosheid, het verbeten chagrijn, tot diep in de kern van haar cellen gekropen zijn. Misschien kreeg ik die verfrommeling zo mee via de moederlijn. Een kwestie van erfbelasting.

Er zijn geen bewijzen van, maar het kan.

Het kind is kwaad. Vaak.

Kwaad om wie ik ben en wie ik zou moeten zijn, als moeder. Kwaad omdat ze houdt van kip en kroketten, maar niet nu, niet vandaag. Kwaad omdat ik soms een middelvinger krijg, terwijl ik toch de liefste van de wereld ben. ‘Dat dat niet mag’, roept ze dan. ‘Niet nu, niet vandaag en niet morgen.’

Misschien heb ik haar wel kwaad gemaakt. Daar zijn geen bewijzen van, maar het kan.

Ze bezit een Sturm und Drang die zich niet zomaar laat sussen door de eerste de beste zoet belegde boterham. In haar streven naar vrijheid vierendeelt ze de regels, stapt ze bovenop zelfgebouwde spreekgestoelten en verfrommelt ze ongegeneerd elk blad voor haar mond.

Ze stampt en ze schopt
mijn binnenkant bont en blauw,
mijn schenen aan gruzelementen.
De pijn van het groeien
is niet eerlijk verdeeld:
zij haalt haar schade in,
ik krijg alleen nog meer mankementen.

Het kind en ik, wij zijn kwaad. Vaak.

Dan gooien we fronsen naar de wereld en naar elkaar*, tot we diep vanbinnen weer voelen dat het daar niet om draait. Dat het onzegbare niet te vertellen valt, ook niet met donder en bliksemschichten. Dat het onzin is om op te staan, weg te gaan en nooit meer écht terug te keren. Dat we al het chagrijn dat ooit voor ons werd verbeten beter samen kunnen verteren, tussen de kip en de kroketten. Dat daar de zachtheid gedijt. En iets van waarheid, als die al bestaat. Daar zijn geen bewijzen van, maar het kan.

* Zullen we afspreken, nu we hier toch zijn? Zullen we afspreken dat je nooit je streken verliest, ondanks het grijs in mijn haar? Zullen we afspreken dat je kleur blijft bekennen, ook als ik er niet meer ben? Zullen we afspreken dat we graag blijven zien hoe we worden wie we zijn? Zullen we dat afspreken, kleine?

Laat me vallen
maar nooit liggen.
Laat me voelen wat het is
om feilbaar te zijn.
Geef me ruimte om te springen
maar zie de pijn,
zie me zijn.

o

o

ik waad ik waad ik waad ik waad ik waad ik waad ik waad ik waad ik waad ik

waad ik waad ik waad ik waad ik waad ik waad ik waad ik waad

ik waad ik waad ik waad ik waad ik waad ik waad

ik waad ik waad ik waad ik waad ik waad

ik waad ik waad ik waad ik waad

ik waad ik waad i

k waad

Als ik door een poel van kwaadheid waad, is dat altijd omwille van de zachtheid. Het is nooit zomaar het één zonder het ander. Het is de zachtheid die geraakt wordt en tot kwaad verwordt. Het is het kwaaie dat taai probeert te maken wat weerloos voelt.

Hoe zou het zijn aan de rand van de wereld?

Zouden daar de zielen samentroepen die te zacht zijn om in de kern te gaan staan?

Zou het daar zijn dat de golven aanspoelen die niet gebaard kunnen worden; de golven vol woeste schuimkoppen, gevormd door woordenstromen die geen uitweg vinden?

En zouden die zachte zielen en die woeste koppen elkaar daar vinden, aan de rand van de wereld? Zouden ze in elkaar overlopen, als inkt in roze vloeipapier, tot ze samen even week als onuitwisbaar worden, en met elke volgezogen vezel meer terrein winnen zodat ze toch als eerste de kern raken?

Zou het kunnen dat het daar allemaal begint, aan de rand van de wereld?

In elkaar overlopen als inkt in roze vloeipapier, gaat over leven.

o

o

Soms wil ik zo veel zeggen dat ik niets zeg. Ik zwijg en ik doe voort want ik zit in die stroom zonder einde, zonder de zekerheid van zicht op zee. Eigenlijk wil ik stoppen en draaien en roepen, maar ik krijg het niet gezegd. Ik krijg de kracht niet samengeraapt. De splinters zitten verspreid en zijn moeilijk te onderscheiden van de puntjes geluk op en onder mijn vel. Dus ik doe voort en neem de steken en het pieken erbij. Omdat het hoort. Omdat ik voor al de rest geen tijd en geen toelating krijg. Zo voelt het toch. Want voelen lukt wel. Voelen lukt goed. Voelen lukt zó goed dat het bijna goed voelt. Bijna, maar toch niet helemaal.

Soms wil ik zo veel zeggen dat ik niets schrijf. Dan wil ik de dingen zo gebald op papier zetten – geen woord te veel, geen zijsprong zonder goede reden – dat er nauwelijks iets overblijft. Alleen bijna lege lijnen, zo goed als witte ruimte. Alsof ik wil verdwijnen, omdat er zoveel onzegbaars te vertellen valt. Een lege bladspiegel als spiegel van mezelf. Liever woordeloos dan loze woorden.

Zo veel willen zeggen dat je niets zegt, gaat over leven.

o

o

‘Wat is je mooiste jeugdherinnering?’ vraagt iemand.

Ik doe mijn ogen dicht en terwijl ik niets kan bedenken, zie ik mezelf weer zitten, aan de tekentafel in het atelier van mijn vader. Mijn beentjes bungelen hoog boven de vloer, en door de schuine hoek van de tafel kan mijn blad extra veel daglicht pakken. Ik weet nog niet wat ik ga tekenen maar ik weet nu al dat het goed komt. De middag mag duren, zorgen zijn voor overovermorgen, na het turnen. De lucht voelt zo licht dat alles in mij begint te zweven, maar ik blijf zitten, met een broek vol goesting en mijn Bruynzeel-potloden in de aanslag.

De mooiste momenten zijn vaak die waarop er nog nét niets gebeurt. De deurklink in je hand voor je het café binnenstapt. Die paar seconden voor de gitarist zijn snaren aanslaat. Het wegkijken voor je in iemands blik verdrinkt. Stilstaan en je adem inhouden, omdat je voelt en hoopt dat het beste nog moet komen.

Saudade loenst: ze kijkt met één oog vooruit en met het andere achteruit. Wanneer het rechteroog haar aanspoort vooruit te kijken, maant het linkeroog haar achteruit te bewegen. Daarom blijft de saudade altijd onbeweeglijk op haar plek; en de enige bewegingen die ze toestaat zijn die waarbij de geest om zichzelf heen blijft cirkelen.

(uit: Valse papieren, Valeria Luiselli)

P.S. Het is een draaimolen geworden, toen, op dat blad. Logisch. Het leven is geen ponykamp maar een kermis. De boel blijft draaien, of je nu prijs hebt of niet.

o

o

Toen het kind en ik van de kermis kwamen, passeerden we een bende studenten, gewikkeld in goudkleurige survivaldekentjes, tegen de kou.

– ‘Kijk daar, chocolaatjes!’ riep ze.

– ‘Dat zijn studenten die net gedoopt zijn’, zei ik, en ik legde uit wat dat zoal inhield.

– ‘Heb jij dat gedaan, en papa, en nonkel David?’

– ‘Nee.’

– ‘Waarom niet?’

– ‘Ik had geen zin om vol eigeel en pluimen te hangen of om in een badkuip vol bloed te zoeken naar een koeienoog.’

– ‘Ik ga dat doen’, klonk het vanop de achterbank.

Ik keek in de achteruitkijkspiegel, zij keek recht in mijn ogen en zei:

– ‘Je hebt één leven. Eén leven. Als je iets wil, moet je het nu doen.’

Ik denk dat zij mijn survivaldekentje is.

P.S. Ik kreeg een briefje van het kind. Er stond: ‘ik hou heel heel hart van jou’. De schoonste dt-fout is geen fout.

o

o

Ik heb geen bucket list. Geen 10.000 dingen die ik nog wil doen voor ik sterf. Niet dat ik geen dromen heb maar die zijn minder hoogdravend. Daar komt geen parachute of zesentwintigste druk aan te pas. Dromen doe ik van sterke benen en vlijtige vingers. Van goede wijn en een schone krans. Van gisterengeluk en morgen meer van dat, of beter. Daar moet ik niet voor naar de luchthaven. Daar hoef ik geen 30 jaar smachtend op te wachten en dat streep ik naderhand niet gewoon door. Ik trek geen strepen – ik verbind punten. Volgens mij kom je daar verder mee.

Er moet een rode draad zijn. Als je begint bij het begin en je verbind de punten, dan moet het ergens toe leiden, dan zit er een zin in dit hele verhaal. Elke dag opnieuw leg ik mogelijke linken. Sommige lijken logisch maar zijn te triviaal om een heel leven aan op te hangen, zo eenvoudig mag het niet zijn. Andere verbanden voelen zo vergezocht dat ze onvermijdelijk tot nederigheid nopen en onverwijld oproepen tot de orde van de dag.
Misschien is er helemaal geen rode draad. Misschien moeten plaatsen en feiten en gezichten niet verbonden worden om betekenis te krijgen, maar is in wezen alleen het moment zelf van tel. De stippen an sich, zonder absolute zin. Misschien is dat het punt. Sommige dagen kan ik daar best mee leven.

Dromen van gisterengeluk en morgen meer van dat, gaat over leven.

o

o

Een klein hondje willen zijn als je groot bent, gaat over leven.

In elkaar overlopen als inkt in roze vloeipapier, gaat over leven.

Zo veel willen zeggen dat je niets zegt, gaat over leven.

Bis bis bis roepen op een begrafenis, gaat over leven.

Over Leven is een zoeken naar leven, ondanks en dankzij.

Het is ontdekken hoe geschiedenis en adem zich herhalen

van in de baarmoeder tot op het zebrapad.

Over Leven is geen hand- maar een hartleiding.

Soms overdreven, maar ergens klopt het wel.

<wordt vervolgd – ondanks en dankzij>

 

 

Met de volgende tags: