Column: 2 maal daags tijdens het tandenpoetsen

(Column voor Psychologies magazine – juni 2016)

Het kind ziet zichzelf graag. In de spiegel, tweemaal daags tijdens het tandenpoetsen en het liefst ook nog een keer bij elk toiletbezoek. Het kind ziet zichzelf graag in alle ruiten die we passeren en in elk winkelraam, zelfs als er lelijke meubels achter staan. Het kind ziet zichzelf graag weerspiegeld in een lepel, aan de ene kant met bolle wangen, aan de andere kant hol en ondersteboven. Het kind spiegelt zich graag aan zichzelf en is blij met alle beelden die het ziet.

Het kind is verliefd. Op Marvin en Lisa en op het haar van Yigit, maar ook op mama en opa en alle mensen van de hele wereld, tot in Kameroen. Het kind houdt van zichzelf met blauwe sneakers en een kort lontje, maar evengoed lachend aan de hand van roze prinsessen met blonde krullen die kunnen skaten zonder te vallen. En het kind is fier. Want het is al zes maanden ouder dan vier, en het kan zomaar vanuit het niets blauwe soep met ballen koken in een kleuterkeukenpot. Het kind is fier omdat het dino’s kan tekenen die sprekend lijken op Luikse wafels, en omdat het die ook nog eens kan oppeuzelen zonder te kruimelen, al zijn ze van papier. Het kind stelt onze twijfels in vraag, zelden zichzelf.

Waar is het fout gelopen? Wanneer zijn we zo veel wezenlijke liefde kwijtgespeeld? In de grotemensenspiegel blijft er nauwelijks iets van over. Het lachen met bolle wangen en holle billen is ons tegen tienerleeftijd meestal al vergaan. En terwijl we ons met moeite en macht in het juiste man-vrouwvakje proberen te passen, vervormen we het beeld van onszelf en de wereld tot er alleen nog constructie overblijft. Zonder liefde, warme liefde, waait de wind het haar in onze ogen en blijven we blind voor wat er werkelijk lief te hebben valt. “Ik kan dat supergoed, mama.” “Ja, kind.” “Mijn haartjes zijn mooi.” “Zeker, kind.” Probeer het eens, in de spiegel. Zeg het eens, tegen je beeld. Spiegel je eens, niet aan een ander maar aan dat oorspronkelijke kind. En probeer daar nu eens de blutsen en de builen bij te pakken, zonder weg te kijken. Wedden dat er voldoende overblijft om graag te zien? Dat er vanbuiten maar vooral ook vanbinnen nog veel is bijgekomen om met beide handen vast te pakken?

Probeer het eens. Zie je graag in de spiegel, tweemaal daags tijdens het tandenpoetsen en het liefst ook nog een keer bij elk toiletbezoek. Zie je graag in alle ruiten die je passeert en in elk winkelraam, zelfs als er mottige meubels achter staan. Zie je graag weerspiegeld in een lepel, aan de ene kant met bolle wangen, aan de andere kant hol en ondersteboven. Spiegel je aan jezelf en wees eerlijk met alle beelden die je ziet. En wees verliefd. Op jongens en meisjes en alle varianten tussen de uitersten van om het even welke schaal, met huid en haar, van hier tot in Kameroen. Hou van jezelf met blauwe sneakers en een kort lontje maar evengoed met hoge roze hakken en lange krullen, van het opstaan tot het vallen. Wees fier, want je bent jonger dan je wallen doen vermoeden en alweer wat ouder en wijzer dan gisteren. Wees fier omdat je een lijstje kan maken met namen van mensen en dieren die je zo graag ziet dat je ze zou opeten, al bestaan ze alleen nog op papier. Stel je twijfels in vraag, zelden je leven. Dat dat leven fout zal blijven lopen, dat staat vast. Dat de liefde daaronder moet lijden, dat is een andere vraag.

Psychologies juni column 2